Op onderstaande kaartjes en teksten kunt u meer info vinden over windkracht , luchtdruk en weersymbolen

 

Uitleg windkracht en richting

Schaal van Beaufort


De schaal van Beaufort is een classificatiesysteem waarin de kracht van de wind wordt aangeduid. Deze schaal werd al in 1805 geïntroduceerd door de Engelse marinecommandant Francis Beaufort. Het systeem werd internationaal erkend in 1873. Beaufort baseerde zijn schaal op waarnemingen die hij had beschreven. Er waren in die tijd nog geen windmeters. Toch is de beleving voor iedereen anders. Zo betekent ‘windkracht 6’ voor de een iets anders dan voor de ander. In de nautische wereld wordt tot op de dag van vandaag nog veel gebruik gemaakt van de schaal van Beaufort. Met de huidige meetapparatuur is er veel meer mogelijk dan in de tijd van Beaufort, en er is dus een omrekentabel waarin de windkrachten van Beaufort zijn omgerekend naar windsnelheden.

Wat is windkracht? Maar wat is nu precies windkracht? Men spreekt van een windkracht als er gemiddeld over 10 minuten een waarde wordt gemeten. Het is dus windkracht 6 als er 10 minuten lang een gemiddelde snelheid wordt gemeten tussen de 10,8-13,8 Meter/p seconde. De meting wordt gedaan op 10 meter hoogte.

De Schalen van Beaufort uitgelegd:

Beaufort
Windsnelheid km/uur
Windsnelheid in m/sec
Windsnelheid knopen
Omschrijving
0
0 - 1
0 - 0,2
0 - 1
Windstil: Rook stijgt recht op uit schoorstenen. Takken en bladeren bewegen niet, vlaggen hangen stil.
1
1 - 5
0,3 - 1,5
1 - 3
Zwakke wind, flauw en stil: Windrichting af te leiden uit rookpluimen. Kleine rimpeling op het water.
2
6 - 11
1,6 - 3,3
4 - 6
Zwak, flauwe koelte: Wind voelbaar in gezicht, bladeren bewegen licht, vlag beweegt, kleine korte golfjes.
3
12 - 19
3,4 - 5,4
7 - 10
Matige wind, lichte koelte: Bladeren bewegen steeds, vlaggen wapperen, kleine golfjes met lichte schuim.
4
20 - 28
5,5 - 7,9
11 - 16
Matige wind, matige koelte: Takken bewegen, kleding flappert, langere golven met lichte schuim.
5
29 - 38
8,0 - 10,7
17 - 21
Vrij krachtige, frisse bries: Matige langere golven, veel schuimkoppen, kleine bomen bewegen
6
39 - 49
10,8 - 13,8
22 - 27
Krachtige, stijve bries: Bomen bewegen, vlaggen staan strak, grotere golven met witte kammen, stuifwater.
7
50 - 61
13,9 - 17,1
28 - 33
Hard, harde wind: Matig grote golven, wit schuim begint te strepen in de richting van de wind. Lastig tegen wind inlopen.
8
62 - 74
17,2 - 20,7
34 - 40
Stormachtig: Grote golven, kammen beginnen te breken, kleine takken breken af, moeilijk voortbewegen tegen de wind.
9
75 - 88
20,8 - 24,4
41 - 47
Storm: Hoge golven, golven rollen en kammen breken, veel stuifwater, takken breken, dakpannen waaien van daken.
10
89 - 102
24,5 - 28,4
48 - 55
Zware storm: Zeer hoge golven, hele oppervlak is wit van stuifwater, bomen worden ontworteld, schade aan gebouwen.
11
103 - 117
28,5 - 32,6
56 - 63
Zeer zware storm, orkaanachtig: Buitengewoon hoge golven, zee bedekt met witte schuimstrepen, grote schade aan bossen/gebouwen
12
>117
>32,6
>63
Orkaan: Lucht gevuld met schuim en water, verwoestingen aan
 gebouwen en bossen, extreem hoge golven

Windrichting Afkorting Aantal graden
Noord N 0 + 360
Oost O 90
Zuid Z 180
West W 270
Noordwest NO 45
Zuidoost ZO 135
Zuidwest ZW 225
Noordwest NW 315
Noordnoordoost NNO 22,5
Ooostnoordoost ONO 67,5
Oostzuidoost OZO 112,5
Zuidzuidoost ZZO 157,5
Zuidzuidwest ZZW 202,5
Westzuidwest WZW 247,5
Westnoordwest WNW 292,5
Noordoordwest NNW 337,5

Uitleg luchtdruk
 
De invloed van de luchtdruk op het weer Lucht heeft gewicht. Eén liter lucht weegt 0,003 gram. Dat lijkt weinig, maar dat is best veel wanneer je het gewicht van de atmosfeer bij elkaar optelt. Al dat gewicht drukt op de aarde, die druk noem je luchtdruk. luchtdruk kun je meter met een barometer. Luchtdruk word aangegeven met hectopascal (hPa). Punten van gelijke luchtdruk worden met elkaar verbonden door een lijn. Zo'n lijn heet een isobaar.

In een gebied waar de lucht daalt, neemt de druk van de lucht op de aardoppervlakte toe. Er is dan sprake van hogedrukgebied (maximum). Op de weerkaart word hogedrukgebied aangegeven met de letter H. Bij een hogedrukgebied is het meestal helder weer. De lucht daalt en wordt warmer.

Een lagedrukgebied is een gebied met lage luchtdruk (L). Het wordt ook wel een minimum of depressie genoemd. De lucht stijgt waardoor de druk aan het aardoppervlak lager wordt. Stijgende lucht word kouder De waterdamp in de lucht gaat condenseren en er ontstaan wolken, waardoor er vaak neerslag valt. Een verschil in luchtdruk zorgt voor wind.

Lucht stroomt van hogedrukgebied, een gebied met veel lucht naar een lagedrukgebied, een gebied waar weinig lucht is. Hoe groter het verschil in luchtdruk tussen twee gebieden, hoe sneller de lucht stroomt en hoe hoger de windsnelheid.

Water komt in drie toestanden voor : - Vast (sneeuw, hagel). - Vloeibaar (regen). - Gasvormig (waterdamp)

De luchtdruk is de druk die zich uitoefent in de lucht. De lucht wordt net als de mensen etc. door de zwaartekracht van de aarde aangetrokken. Hoe hoger in de lucht des te minder de druk. Dat komt omdat de lucht boven dunner is.

Hogedrukgebied
In een hogedrukgebied (H) daalt koude lucht naar de grond. Die dalende lucht wordt opgewarmd, waardoor er meer waterdamp wordt opgenomen en er voor zorgt dat de wolken verdwijnen. Zonder wolken aan de lucht wordt het in de zomer warm, maar in de winter juist ijskoud. Hogedrukgebieden draaien in ons deel van de wereld met de klok mee. Op het zuidelijk halfrond is het juist het tegenovergestelde.

Lagedrukgebied
In een lagedrukgebied (L) stijgt warme lucht omhoog. Daaronder ontstaat een lagere druk en daarmee dus een zuigkracht die koude, vaak vochtige lucht naar zich toe trekt. Lagedrukgebieden veroorzaken vaak slecht of minder goed weer. Lagedrukgebieden draaien tegen de klok in op het noordelijk halfrond. Op het zuidelijk halfrond is het juist het tegenovergestelde.

Oclussiefront
Lagedrukgebieden ontstaan daar waar koude en warme luchtmassa's op elkaar botsen. De warme lucht slaat een soort wig in de koude lucht en de twee gebieden komen in beweging. Koude en warme lucht trekken na elkaar. Er is duidelijk een grens tussen de 2 gebieden. Die grens noemen we het oclussiefront.